Home / Resultaten / Living Labs / Living Lab #6 – Waardecreatie en bedrijfsresultaten

 

Op 27 oktober 2015 vond het zesde Living Lab plaats met Ballast Nedam als gastheer. Zowel het onderzoeksteam als het consortium werden ontvangen op locatie bij de bouwplaats van de Penitentiaire Inrichting Zaanstad. Na een rondleiding over de indrukwekkende bouwplaats van dit project presenteerde Marina Bos-de Vos de eerste resultaten van haar studie van het afgelopen jaar. Deze studie richt zich op de spanningen in de waarde-interactie tussen de architect en opdrachtgever. Marina bestudeert hoe architecten waarde creëren en toe-eigenen in de interactie met hun partners. Vervolgens gaat zij na waar zich moeilijkheden voordoen in dit proces en hoe waarde gerelateerde spanningen versoepeld of vermeden kunnen worden in de toekomst. Het doel is om bij te dragen aan het opstellen van gezonde business modellen voor de levering van architectendiensten.

In een nieuwe ronde interviews heeft Marina meer diepgaande informatie verworven over waardecreatie en waarde toe-eigening binnen de levering van architectendiensten. Een selectie van de voorlopige inzichten werd verwoord in een viertal stellingen. Deze stellingen zijn getoetst aan het perspectief en de ervaring van de consortiumpartners.
De eerste stelling gaat over de mogelijkheden van een architect om waarde te creëren in het begin van het proces. Zo kunnen architecten bijvoorbeeld helpen bij het overtuigen van financiers of gemeenten. Veel architecten zijn in staat om partijen over te halen met een vlammend betoog of overtuigende schets. Het consortium was het er over eens dat de architect zeker een rol kan spelen in de beginfase van een bouwproject. Een architect biedt mogelijkheden om een unieke richting te geven aan het project, niet alleen vanuit esthetisch oogpunt, maar ook vanuit strategisch oogpunt.

De tweede stelling heeft betrekking op de financiële expertise van een architect. Tijdens een onderhandeling van een opdracht spreken architecten en opdrachtgevers vaak een andere taal. Waar de architect een omschrijving geeft van activiteiten, is de opdrachtgever vooral geïnteresseerd in prestaties. Financiële expertise kan de architect helpen de prestaties in economische waarde uit te drukken en bovendien meer honorarium te onderhandelen. Het consortium was het er grotendeels over eens dat financiële expertise helpt om ontwerpdiensten te verkopen. Echter, een vraag die hierbij ontstaat is: ‘Haal je in je architectenbureau deze expertise in huis, of zoek je deze buitenshuis?’.

De derde stelling omvat dat architecten meer kwaliteit leveren dan gevraagd wordt door opdrachtgevers of eindgebruikers. Vanuit een persoonlijke en/of professionele passie zijn architecten altijd op zoek naar de hoogst mogelijke kwaliteit. Om deze optimale kwaliteit te behalen worden er bijvoorbeeld meer uren gespendeerd dan dat er betaald worden. De ‘extra kwaliteit’ is vanuit het perspectief van opdrachtgever zelfs niet altijd nodig of soms zelfs onwenselijk. Echter, het leveren van kwaliteit is dan ook de essentie van een architect om te doen. De architect krijgt alleen hiervoor niet extra betaald.

De vierde en laatste stelling gaat over het ontwerpend denken door architecten tijdens de technische uitwerkings- en uitvoeringsfase. De interviews laten zien dat voor architecten de technische uitwerking van cruciaal belang is. Voor hen zit hier de mogelijkheid de kwaliteit van het project te bewaken. Vaak kiezen opdrachtgevers er echter voor een andere partij het engineeringswerk te laten verzorgen. Er is namelijk onder andere veel wantrouwen over de kennis van de architect op dit gebied. Het consortium bevestigde dat er steeds meer een scheiding ontstaat tussen ontwerp en engineering. Echter, er zijn ook in de engineeringsfase ontwerpoplossingen nodig. Wanneer het ontwerpproces en het voorbereidingsproces niet goed zijn afgebakend, is het mogelijk dat dit verstoringen oplevert. Daarentegen is het ook mogelijk dat die verstoringen een meerwaarde opleveren.